Zoeken
  • bosmanlm

Liefde
 voor 
landschap
 en
 natuur


Een blik op de relatie van de stedeling met het landschap


In 2011, toen ik dit essay schreef, was net het boek Beemden en Bouwlanden: Het verdwijnende Boerenlandschap van Wim Denslagen verschenen, geschreven in opdracht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. In dit boek probeert Denslagen met name de herinnering op te roepen van de manier waarop het boerenland vroeger werd gewaardeerd, waarbij hij pleit voor het creëren van neorustieke landschappen, waarin de economie van het boerenbedrijf ondergeschikt is aan het landschap. De schrijver lijkt voornamelijk waarde te hechten aan de visuele aspecten van een gebied, al erkent hij wel dat landschap meer is dan louter een plaatje. In het boek wordt ook een beeld geschetst van de stedeling, die het landschap ziet als uitvalbasis om tot rust te komen en na te denken. Er is hier dus geen sprake van het oude romantische beeld ten opzichte van de natuur, maar eerder wordt er een soort nostalgische blik geworpen op het kleinschalige boerenbedrijf dat in harmonie is met de natuur. Ik kon mijzelf herkennen in het stereotype beeld van de stedeling, wat mij in zekere zin bewust maakte van mijn eenzijdige blik. Maar waar komt deze manier van denken over het landschap eigenlijk vandaan? En waarom is het van belang om de visie te verbreden? In dit essay zal ik deze vragen trachten te beantwoorden waarbij ik met name aandacht besteed aan de ontwikkelingen in de manier waarop de westerse mens het landschap en de natuur heeft gewaardeerd. Voor informatie met betrekking tot deze ontwikkelingen van de afgelopen decennia, ben ik voornamelijk te rade gegaan bij inleidende colleges in de landschapsgeschiedenis bij de Rijksuniversiteit Groningen en bij het boek Environmentalism (2012), dat onderdeel uitmaakt van de ‘Seminar Studies’ series, omdat ik beide als betrouwbare bronnen beschouw.


In Nederland vinden we in bijna al onze steden nog sporen uit de Late Middeleeuwen. Waar er in de twaalfde eeuw nog maar acht plaatsen een omvang hadden waarmee het plattelandsleven werd gecontrasteerd, was het percentage stedelingen in 1500 gestegen tot ruim 40 procent(1). Het is dus vanaf de Late Middeleeuwen dat we kunnen spreken over de stedeling met een bepaalde houding ten opzichte van het landschap en de natuur.

Het Middeleeuwse denken werd gedomineerd door het Christendom en evenals de Grieken en de Romeinen, zagen de middeleeuwse Christenen natuur als iets dat zich beschikbaar stelde en bruikbaar maakte ten behoeve van de mens. Hierdoor beschouwde men het ontginnen van de wildernis als een menselijke plicht, als een opdracht van God en waardering voor de natuur uitte zich in eerste instantie dus ook in de geordende velden. De omsloten en gecultiveerde landschappen stonden tegenover de niet‐christelijke chaos en wildernis van de moerassen, wouden en bergen. Deze manipulatieve houding ten opzichte van de natuur ontwikkelt zich verder en mede door de ontdekkingsreizen in de vijftiende eeuw en dankzij ontwikkelingen in de wetenschap, wordt het vertrouwen in de macht en mogelijkheden van de mens versterkt. Ten tijde van de Verlichting bereikte deze houding misschien wel haar hoogtepunt, doordat de natuur als een verzameling van mechanische processen werd beschouwd die de mens kon (en moest) ontcijferen en naar eigen hand zetten. Langzamerhand domineert niet langer religie, maar kapitalisme de menselijke houding jegens het landschap; landbouw is niet meer enkel bestemd voor de lokale bevolking, maar men produceert voor een ver weg gelegen markt. Aan het einde van de achttiende eeuw echter, zien steeds meer landen dat er houttekorten beginnen te ontstaan en sindsdien wordt duurzaamheid voor het eerst opgenomen in het beleid(2). De technologische ontwikkelingen doen mensen tevens inzien dat de omgeving te lijden heeft onder de mechanisering en als reactie op de Verlichting ontstaat er ruimte voor de opkomst van de Romantiek.


De welgestelde achttiende‐eeuwse verzamelaars die zich druk bezig hielden met het ontdekken, beschrijven en categoriseren van planten‐ en diersoorten, keken natuurlijk ook terug naar de tijd waarin de natuur nog puur het werk van God was. De romantische beleving van de natuur was dan ook veelal een individualistische spirituele zoektocht, waarbij men inging tegen de ratio en de emotionele beleving voorop werd gezet. In de ontwikkeling van landschapstuinen wordt mooi zichtbaar hoe de ambivalente houding van de elite zich ontwikkelde: In de zeventiende eeuw kochten de rijkste Hollandse stedelingen landgoederen die ze uitgebreid beplantten met exotische flora, niet alleen om het oog te strelen, maar ook om aan te tonen hoe mankracht natuur plezierig en ordelijk kon maken. Maar in de achttiende eeuw ontstaat er juist een waardering voor wat we de ‘Engelse landschapstuin’ noemen: gebieden die vaak groter zijn dan de geometrisch aangelegde landgoederen, veel minder geordend en een meer ‘natuurlijke’ aanblik bieden. Westerse kunstenaars en intellectuelen omarmden de natuur en vonden er inspiratie. Jean‐Jacques Rousseau mag bijvoorbeeld niet ongenoemd blijven bij het beschrijven van deze ontwikkelingen, wiens geschriften bijdroegen aan het groeiende individualisme dat zich ontpopte in de liefde voor natuur. Of de dichter William Wordsworth die in de natuur een weerspiegeling van de menselijke geest zag, en vice versa. Je zou kunnen zeggen dat het landschap vanaf die tijd als het ware twee ideaalbeelden krijgt: het gecultiveerde pastorale en het wilde primitieve. Of zoals David Peterson del Mar het omschrijft:

“Picturesque depiction of nature invited people to feel good about nature. The sublime,

like other elements of Romanticism, simply required them to feel and strongly.”(3)

Beide vormen dienen echter hetzelfde doel, namelijk het bieden van een ontsnapping waardoor de ware emoties toegankelijk worden voor de geest. Nu de steden steeds meer geïndustrialiseerd raakten en een bron werden voor ziekten, werden de verhoudingen tussen stad en natuur verwisseld. De eerder bedreigend aandoende bergen werden een toevluchtsoord en samen met de verspreiding van de ideeën van de romantische intellectuelen, is in feite het natuur toerisme geboren, maar daar zal ik later nog op terug komen.


Natuurbeleving was ook verbonden aan nationalisme. Ten tijde van de Hollandse opstand tegen de Spaanse koning dienden de landschapsschilderijen als een soort protest en propaganda, als herinnering aan het eigen land waar men trots op was en voor vocht. In Duitsland werden later de wouden een onmiskenbaar symbool voor de Nazi’s, die overigens ook de sterkste dierenbeschermingswet van de wereld invoerde ten aanzien van wilde dieren (met name de wolf) en ze creëerden honderden natuurreservaten. Liefde voor de natuur was vrijwel nooit in strijd met industrialisatie en groeiend materialisme(4), maar eerder gingen zij, zoals dat meestal het geval is, hand in hand. De opkomst van natuurbeschermers, die het alsmaar naar vooruitgang strevende handelen bekritiseerde, lag aan de vooravond van de Tweede Wereld Oorlog nog jaren verwijderd. Na de oorlog had men in Europa een wanhopige behoefte aan economische vooruitgang en een verminderde aandacht voor de natuur. In de Verenigde Staten groeide vanaf die tijd de natuurwaardering dus ook een stuk sneller, mede doordat steeds meer mensen een auto konden kopen en vaker een rondrit konden maken om de omgeving te bezichtigen en te leren kennen. Hiermee ontstond tevens een groeiende behoefte aan parkeer‐ en kampeerplaatsen, caravans, picknicktafels en andere benodigdheden om het zo comfortabel mogelijk te hebben wanneer men er even tussenuit ging om dichter bij de natuur te zijn. Doordat het voor steeds meer mensen mogelijk werd om ‘van het landschap te genieten’, konden verschillende benaderingen van de natuur zich makkelijker ontwikkelen en werden representaties van het landschap meer gekleurd. Men kreeg meer aandacht voor ecologie en de menselijke interventie in ecosystemen werd voor het eerst bekritiseerd. Toch was het pas in de jaren ’60 dat de spanning tussen vooruitgang en natuur veel aandacht begon te krijgen, wat tot weer nieuwe en meer verscheidene benaderingen van landschap en de natuur leidde. De stabiliteit die de natuur in de ogen van de Verlichtingswetenschapper nog leek te hebben, was volledig omgeslagen in een nieuw besef van de zeer complexe relaties en onvoorspelbaarheid van de natuur. Een eenduidige visie ten opzichte van deze natuur werd een waanbeeld uit het verleden.


In 1957 had 4 procent van de Nederlandse huishoudens een televisie en er waren ongeveer een half miljoen auto’s in het land. Tien jaar later had 82 op de 100 gezinnen een tv‐toestel in huis en was het aantal auto’s vervijfvoudigd(5). Met andere woorden, de jaren ’60 brachten een niet eerder gekende rijkdom en vooruitgang. En men nam, zoals dat al vaker gebeurde, de rijkdom snel voor lief en stortte zicht op een zoektocht naar diepere betekenissen. Een leven dichter bij de natuur, staat voor eenvoud en contemplatie. Dit romantische gedachtegoed blijft onlosmakelijk verbonden met bijna iedere visie op de natuur. Maar de natuurliefhebber in de vorm van een trotse elite uit de vorige eeuw die de belangen van de natuur wilde behartigen, verandert in de jaren zestig in een ‘onderdrukte groep die zich moet verzetten tegen het gehele maatschappelijke en kapitalistische systeem’(6). De nieuwe liefde die men koesterde voor de natuur vond uitdrukking in de groeiende vrijetijdsactiviteiten zoals surfen, waarbij het surfen zelf als een vorm van protest werd gezien(7). En hoewel alle buitensportactiviteiten een affiniteit met de natuur in zich dragen, vragen ze ook om steeds nieuwere materialen en kleding waarmee men de levensstijl uitdraagt. En zo blijkt ook dan weer dat de mens niet meer om de markt heen kan, doordat deze reageert op de manier waarop natuur, individualisme en avontuur steeds verder met elkaar verwikkeld raakten. Natuurbeleving staat nu niet meer alleen voor rust en contemplatie, maar wordt steeds sterker een symbool voor individuele vrijheid.

“Then a strange blight crept over the area and everything began to change. Some evil

spell had settled on the community: mysterious maladies swept the flocks of chickens;

the cattle and sheep sickened and died. Everywhere was a shadow of death”(8)


Aan het eind van de jaren zestig wordt de vrolijkheid gecontrasteerd door de verschillende vormen van natuurbescherming die verschijnen in de vorm van actieve organisaties die veel leden kennen. Eerst alleen in de Verenigde Staten, maar al snel ook in Europa, waar het activisme echter in eerste instantie meer van bovenaf kwam en niet zo sterk vanuit de arbeiders in de vervuilde steden zelf. Er verschenen vele boeken die het bewustzijn van de schade aan de natuur vergrootten, waarmee de aandacht en liefde voor natuur weer een nieuwe weg in was geslagen(9). In de landschapswetenschappen was na de oorlog de morfogenetische benadering opgekomen, wat in hield dat elke periode zijn eigen specifieke ruimtelijke patronen en vormentaal kent. Na 1950 wordt de benadering steeds dynamischer, onder invloed van de Engelse W.G. Hoskins. In de jaren ’60 en ‘70 doet vervolgens de ‘New Geography’ haar intrede. Binnen de politiek deden zich ook aandachtsverschuivingen voor, al bleef men vrij optimistisch met betrekking tot milieuvervuiling. De overheid richtte zich voornamelijk op gezonde lucht en schoon water en ook in de andere landen was het overheersende sentiment positief, gericht op aanpassing; radicale veranderingen kwamen niet ter sprake. Maar waar men zich eerder nog zorgen maakte over afval op de weg, wordt tien jaar later de weg zelf als het grote probleem gezien en verschillende doemgedachtes worden door radicale milieuactivisten verspreid. De nationale parken en natuurreservaten waren toeristische trekpleisters geworden, waar de problemen alleen maar versterkt worden door bijvoorbeeld de aanleg van vakantieparken en nieuwe wegen naar, en door de gebieden. De Amerikaan Edward Abbey pleitte ervoor dat parken een zelfde behandeling kregen als bijvoorbeeld kerken, musea ‘and the other sanctums of our culture’(10) en voortbouwend op dit gedachtegoed, ontstond de diepe ecologie, onder de pen van de Noorse filosoof Arne Naess(11). Naess argumenteerde dat de mens niet los staat van de rest van de wereld en in het begrip van het ‘zelf’ zou men de rest van de wereld mee moeten nemen. Door op deze manier te denken kon men ontsnappen aan het individualisme en de vermeerdering, aan de exploitatie van anderen mensen en van de aarde. Een andere radicale beweging was het ecofeminisme, waarin misbruik van vrouwen en van de natuur met elkaar werden vergeleken als gevolg van de mannelijke angst en overheersingdrift. Alle ecologische problemen, zo werd verkondigd, zijn voortgekomen uit diepgelegen sociale problemen, wat het tevens onmogelijk maakt om ecologische problemen te begrijpen, laat staan op te lossen, zonder naar de problemen in de maatschappij te kijken(12). Vanuit deze gedachte ontstaat dan ook het besef de meeste mensen die lid zijn van milieubewegingen, blank zijn en in veel gevallen ook hoog opgeleid. Mede hierdoor was er dus waarschijnlijk eerder aandacht voor ideeën over een ‘andere manier van leven’, dan dat er naar concrete problemen, zoals de gevolgen van gifstoflozing, werd gekeken, wat voornamelijk in de armere regio’s gebeurde. De actieve organisaties (voornamelijk bestaand uit niet‐blanke, minder welgestelde mensen) die deze problemen wel aan wilden pakken, vochten er voor om hun omgeving schoon te houden, richtten hun acties op de mens en kaartte maatschappelijke problemen aan. In feite hadden ze maar weinig van doen met de meer traditionele milieuactivisten. Hiermee is ook de tweedeling neergezet tussen hen die de menselijke gezondheid en overleving op de eerste plaats zetten en de groepen die de mens juist naar de achtergrond wil brengen en meer ruimte willen geven aan dieren en planten.

Ondanks al deze verschillende bewegingen, zijn de westerse tradities niet bijzonder veel verstoord. De meesten mensen zien geen tegenstelling in groei en aandacht voor de natuur. De Grand Canyon trekt bijna vijf miljoen bezoekers per jaar(13) en het reizen naar ver afgelegen gebieden worden aangeprezen in de vorm van grote auto’s, full‐colour reclame posters en goedkope vliegtickets naar all‐ inclusive resorts waar men aan georganiseerde excursies deel kan nemen om zo de opwinding te kunnen ervaren van het contrast tussen de beschaving en het leven in de natuur. Er bestaat dus een eeuwenoude relatie tussen rijkdom en ‘liefde voor natuur’. We waarderen de natuur niet zozeer omdat het ons in voedsel, beschutting, brandstof of bouwmateriaal kan voorzien, maar omdat het betekenis kan bieden. In de westerse wereld is men steeds verder verwijderd geraakt van de manier waarop bodem, water, dieren en planten belangrijk zijn voor ons lichaam en is het idee dat deze dingen onze ziel voeden, ons naar een pure plek kunnen brengen voorbij het oppervlakkige dagelijkse leven, steeds prominenter geworden. De nadruk op ‘behoud’ en ‘herstel’ in het landschapsbeleid is hieraan gerelateerd en in het vervolg van dit essay zal ik aan proberen te tonen welke tegengestelde belangen een rol spelen in het hedendaagse Nederlandse landschap.


In Nederland is men actief bezig met het maken van natuur. Nadat we de grond volledig gecultiveerd hebben, is er blijkbaar weer behoefte om het productieland om te zetten in natuur wat begrijpelijker wordt met de ontwikkelingen die zich over de gehele westerse wereld voltrokken hebben, in het achterhoofd. In 1990 ontstond in Nederland het plan om een Ecologische Hoofdstructuur aan te brengen, waarbij in één vijfde deel van het land natuurwaarden de hoofdrol moeten gaan spelen(14). Nu zijn de plannen door het nieuwe kabinet ingekrompen, maar de natuuraanleg is nog op veel plaatsen actief aanwezig. Wat het landschapsbeleid in Nederland precies inhoudt blijkt moeilijk te zeggen aangezien de regels ieder jaar lijken te veranderen. Ineke Noordhoff verwoord dit mooi in haar boek Natuurmakers: Heroverd Landschap van Rottum tot Grensmaas wanneer zij beschrijft hoe de overheid natuurherstel dan weer stimuleert en wil versnellen en het vervolgens weer stop wil zetten(15). Hoewel Noordhoff vertegenwoordigers van verschillende belangengroepen aan het woord laat, lijkt haar boek toch lijnrecht tegenover het in de inleiding genoemde Beemden en Bouwlanden te staan, waarin niet het maken van natuur voorop staat, maar juist het behouden van het (kleinschalige) cultuurlandschap. De schrijver haalt uitspraken aan van de landschapsdeskundige Rik Herngreen, die de mythe van het traditionele boerenleven als tegenhanger van het moderne leven in de stad, als een fundamenteel gebrek aan inzicht ziet in de historische en actuele realiteit van stad en platteland. Hij vreest voor wat hij ‘esthetisch essentialisme’ noemt: een toestand waarin alle banden met de realiteit zijn verbroken en alleen nog een ‘esthetisch decor’ overblijft. Dit is precies hetgeen dat Noordhoff juist lijkt te verdedigen omdat natuur ‘mooi is, stedelingen stimuleert om te bewegen, kinderen uitdaagt om te spelen – en echt veel gezonder is voor lichaam en geest’(16).


Dat het authentieke land lijkt te verdwijnen achter namaak land ‘dat in stand wordt gehouden door folders met eendimensionale, simplistische en in belangrijke mate onjuiste historische informatie’(17) is een vaker gehoord geluid met betrekking tot het landschapsbeleid. Onderzoeker Maarten Jacobs wijdt deze ontwikkelingen aan de ‘experience society’ waarin wij leven, en verduidelijkt vervolgens de sociale invloed op de totstandkoming van concepten, beelden en verwachtingen van mensen. Hij haalt teksten aan van onder andere Wolfe, (The Entertainment Economy) en van Jensen, die het boek The Dream Society schreef, waarin wordt verklaard dat we degenen die verhalen kunnen vertellen in de droom‐samenleving, het meest waarderen: ‘Business firms have reached a new frontier – that of imagination, emotions and dreams’(18). De eerder genoemde Herngreen bekritiseerd echter het verlangen van mensen om in droomwerelden te willen leven omdat dit volgens hem niet tot het echte leven behoort. Het landschap mag in zijn ogen geen illusie of misleidend plaatje worden, maar moet uitdrukking geven aan wat hij ‘de levende cultuur’ noemt. Vanuit het Ruimtelijk Planbureau kwamen soortgelijke uitspraken nadat zij hadden geconstateerd dat het traditionele boerenland in snel tempo verdwijnt. ‘De stedeling ziet de ontwikkeling met lede ogen aan en lijkt niet van zins zijn ideaalbeeld van het idyllische platteland op te geven’(19). Dit zou evengoed gezegd kunnen worden over de droombeelden die men heeft met betrekking tot de natuur, maar in Nederland blijkt de aanleg van de nieuwe natuur niet rijmen met droombeelden. Dit komt misschien deels doordat de nadruk wordt gelegd op ecologie waarin het toch vaak gaat over relaties en metingen met betrekking tot de natuur, waar de mens (gezien de lange geschiedenis van landschapswaardering waarin de mens centraal staat) zich niet direct toe kan verhouden. Bovendien signaleerde rijksambtenaren in 2009 dat de meeste burgers ‘weinig gevoel’ hebben ‘bij termen als biodiversiteit en Ecologische Hoofdstructuur(20). Het planbureau vroeg zich dus af of ideaal beelden nog steeds als wensbeelden moeten gelden en ze vonden dat ‘de moderne recreanten meer werkelijkheidszin zouden moeten hebben’. Kortom, ze maken zich niet zozeer zorgen over de verdwijning van het historische cultuurlandschap, maar om het schijnbaar onjuiste beeld dat de stedeling heeft van het landschap. Ook landschapsarchitect Eric Luiten verzet zich tegen het bewaren van de oude cultuurlandschappen, zo geeft Denslagen aan, voortbouwend op het idee dat oppervlakkige verwijzingen naar het verleden onkritisch zijn. Enerzijds lijkt het mij, net als Denslagen, niet vreemd om zo nu en dan wat te willen bewaren in een wereld die zo snel verandert, al is het maar om een zichtbare herinnering te hebben aan de vele ontwikkelingen die mens en land hebben doorgemaakt. Anderzijds lijkt het conserveren op een hersenschim te berusten, aangezien de huidige staat een product is van de tijd en een momentopname vormt in een proces van voortdurende verandering. En hoewel er natuurlijk zeer veel te zeggen valt voor het maken van natuur met het oog op de biodiversiteit en ik in eerste instantie ook hard ‘ja’ wil roepen tegen ontwikkeling van ‘nieuwe natuur’ kan deze ontwikkeling ook een bedreiging vormen voor de zogenaamde leesbaarheid van het landschap. Deze zou grotendeels uitgewist kunnen worden, terwijl juist de samenhang die een landschap door middel van die leesbaarheid bevat, maakt dat er een oriëntatie in tijd en ruimte mogelijk is, die weer verbonden is aan de menselijke identiteit.

Uiteindelijk lijkt de ware problematiek zich te bevinden in de beeldvorming. Een historisch geograaf kijkt anders dan een ecoloog, evenals een boer anders kijkt dan een stedeling. We kijken door de ogen van hen die ons hebben leren kijken en hiermee berust beeldvorming deels op traditie. Maar, om Jacobs nogmaals aan te halen, hebben sociale tradities in de tegenwoordige belevingsmaatschappij minder invloed op het leven van individuen dan voorheen. ‘mensen maken hun keuzen meer vanuit hun eigen belevingswereld, en zijn op zoek naar boeiende ervaringen’(21). De invloed die dit heeft op de manier waarop we naar het landschap kijken wordt zichtbaar in de manier waarop we met landschap omgaan. Mooie landschappen worden beschermd, en worden toeristische toevluchtsoorden voor de stedeling. Het idee overigens, dat het landschap alleen bestaat in de voorstelling van de individuele waarnemer, is al sinds de romantiek aanwezig, maar binnen de landschapswetenschappen heeft de benadering voornamelijk sinds Denis Cosgrove’s boek Social formation and symbolic landscape (1984) een belangrijke plek gekregen. Cosgrove werd een van de grondleggers voor de ‘nieuwe culturele geografie’ toen hij aantoonde hoe het landschap de ideeën weerspiegelt van de mensen die het gevormd hebben en dat het als het ware een podium biedt voor degenen die de macht in handen hebben. Cosgrove ziet het landschap als een sociale constructie die samenhangt met een manier van kijken. Hierbij noemt hij ook de typische Europese ‘landscape way of seeing’ die bijvoorbeeld terug te vinden is standaardcomposities van vakantiefoto’s en haar oorsprong heeft in de landschapsschilderkunst van de 16de en 17de eeuw. Door het landschap te benaderen als een platform voor representatie is het landschapsonderzoek steeds meer tot de sociale wetenschappen gaan behoren met ‘identiteit’, ‘beeldvorming’ en ‘representatie’ als kernbegrippen. Landschapshistoricus Hans Renes benoemt dit tot het postmoderne historische landschap (voorafgegaan door het traditionele historische landschap, dat bestond tot in de jaren ’70 en het moderne historische landschap, waarvan gesproken wordt in de jaren ’70 tot ’90)(22). Beeldvorming lijkt echter ook een collectief fenomeen, voortgekomen en beïnvloed door de beelden die anderen voor hen hebben geproduceerd. In een introductie van The Iconography of Landscape benadrukken Stephen Daniels en Denis Cosgrove nogmaals dat landschap een cultureel beeld is. Wat overigens niet wil zeggen dat het immaterieel is: ‘Het kan vertegenwoordigd worden in verschillende materialen op verschillende dragers – verf op doek, tekst op papier, in aarde, steen, water en vegetatie op het land’.(23) En hoewel een park misschien tastbaarder lijkt dan een landschapsschilderij of een gedicht, is het niet minder echt en ook niet minder denkbeeldig. Vanwege onze gezamenlijke geschiedenis zijn er dus enkele algemeen gedeelde waarden, maar het idee dat ‘het ware landschap zich ontvouwt in het oog van de individuele waarnemer’ lijkt een waarheid te zijn waar we niet omheen kunnen. Wanneer de grond waar mensen samen op leven besproken wordt, zullen de meningen en belangen dus ook altijd verdeeld zijn. Maar met een beetje inzicht in de achtergrond, en met begrip voor andere partijen wordt het misschien mogelijk om droombeelden en herstel door elkaar heen te verweven. Intuïtie, als de perfecte combinatie van kennis en gevoel, lijkt mij een belangrijke sleutel hiervoor, wat dus inhoud dat ratio en emotie gelijkwaardig gevoed moeten worden en evenveel ruimte moeten krijgen in iedere meningsvorming.

1 S. Barends e.a., Het Nederlandse Landschap, ‘een landschap vol steden’ p. 176‐ 177.

2 In Duitsland ontdekte men de eerste tekorten al rond 1600 wat leidde tot veel artikelen en boeken rond het probleem, maar pas vanaf het einde van de 18e eeuw, wordt er ook daadwerkelijk actie ondernomen. David Peterson del Mar, Environmentalism, ‘the birth of conservation’ p. 8

3 David Peterson del Mar, Environmentalism, p. 12

4 Een uitzondering hierop kwam naar voren in het boek Walden (1845) van Henry David Thoreau, waarin hij pleitte voor een andere manier van leven waarin de natuur niet enkel een tijdelijk toevluchtsoord vorm, maar hij zou pas veel later door een groter publiek gewaardeerd worden.

5 W8: Vergeten Verleden, ‘Na 1960: het tijdperk van de televisie en de auto’. http://www.w8.nl/tv.htm 6 S. Chaney (2008) Nature of the Miracle Years p.245 7 Peterson del Mar, p, 45.

8 fragment uit Silent Spring (1962), geschreven door de bioloog Rachel Carson, die hiermee een van de meest invloedrijke milieuactiviste werd. Bron: http://core.ecu.edu/soci/juskaa/SOCI3222/carson.html

9 The Quiet Crisis van Stewart Udall verscheen rond dezelfde tijd als Silent Spring, een ander voorbeeld komt van de Club van Rome, die in 1972 De Grenzen aan de Groei publiceerde.

10 Peterson del Mar, p, 62.

11 Arne Naess benoemde Rachel Carson als rolmodel toen hij de visie van de ‘Deep Ecology’ ontwikkelde. http://en.wikipedia.org/wiki/Arne_N%C3%A6ss

12 Peterson del Mar, p. 65.

13 ‘When and why did the Grand Canyon become a national park?’ http://www.nps.gov/grca/faqs.htm

14 Ineke Noordhof: Natuurmakesr: Heroverd Landschap van Rottum tot Grensmaas (2011), p.7

15 Zie voor verdere uitleg I. Noordhoof, Hoofdstuk 26 p.186 – 200.

16 I. Noordhoff, p. 189. 17 W. Denslagen, p.11

18 Maarten Jacobs, The Production of Mindscapes (2006) p. 20‐21

19 W. Denslagen, p. 19‐20. 20 I. Noordhoff, p,187.

21 M. Jacobs, p. 261. 22 Hans Renes, Het Postmoderne Historische Landschap (2005). 23 Cosgrove en Daniels, The Iconography of Landscape, p. 1


Literatuur

Barends, S. e.a., Het Nederlandse Landschap: een Historisch Geografische Benadering. Uitgeverij Matrijs, Utrecht, 2010.

Carson, Rachel, Silent Spring. Harmondsworth, Hamilton, 1971. Cosgrove, Denis, Geography and Vision: Seeing, Imagining and Representing the

World. I.B. Tauris, Londen/New York, 2008. Cosgrove, D. en Stephen Daniels, The Iconography of Landscape. Cambridge

University Press, Cambridge, 1988. Denslagen, Wim, Beemden en Bouwlanden: Het Verdwijnende Boerenlandschap.

NAi Uitgevers, Rotterdam, 2011. Jacobs, Maarten, The Production of Mindscapes: a comprehensive theory of

landscape experience, Dissertatie Universiteit Wageningen, 2006. Noordhoff, Ineke, Natuurmakers: Heroverd Landschap van Rottum tot Grensmaas.

Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen, 2011.

Peterson del Mar, David, Environmentalism. Pearson Education Limited, Harlow, 2012.

Renes, Hans, ‘Het Postmoderne Historische Landschap: ontwikkelingen in historisch geografisch onderzoek’, Topos, nummer 2, 2005.

2 keer bekeken

Lotte Milene Bosman |www.lottemilenebosman.com | info@lottemilenebosman.com