Liefde
voor
landschap
en
natuur


Een
blik
op
de
relatie
van
de
stedeling
met
het
landschap


In 2011, toen ik dit essay schreef, was net het
boek
Beemden
en
Bouwlanden:
Het
verdwijnende
Boerenlandschap
van
Wim
Denslagen verschenen, geschreven
in
opdracht
van
de
Rijksdienst
voor
het
Cultureel
Erfgoed.
In
dit
boek
probeert
Denslagen
met
name
de
herinnering
op
te
roepen
van
de
manier
waarop
het
boerenland
vroeger
werd
 gewaardeerd,
waarbij
hij
pleit
voor
het
creëren
van
neorustieke
landschappen,
 waarin
de
economie
van
het
boerenbedrijf
ondergeschikt
is
aan
het
landschap.
De
schrijver
lijkt
voornamelijk
waarde
te
hechten
aan
de
visuele
aspecten
van
een
gebied,
al
erkent
hij
wel
dat
landschap
meer
is
dan
louter
een
plaatje.
In
het
boek
wordt
ook
een
beeld
geschetst
van
de
stedeling,
die
het
landschap
ziet
als
uitvalbasis
om
tot
rust
te
komen
en
na
te
denken.
Er
is
hier
dus
geen
sprake
van
het
oude
romantische
beeld
ten
opzichte
van
de
natuur,
maar
eerder
wordt
er
een
soort
nostalgische
blik
geworpen
op
het
kleinschalige
boerenbedrijf
dat
in
harmonie
is
met
de
natuur.
Ik
kon
mijzelf
herkennen
in
het
stereotype
beeld
van
de
stedeling,
wat
mij
in
zekere
zin
bewust
maakte
van
mijn
eenzijdige
blik.
Maar
waar
komt
deze
manier
van
denken
over
het
landschap
eigenlijk
vandaan?
En
waarom
is
het
van
belang
om
de
visie
te
verbreden?
In
dit
essay
zal
ik
deze
vragen
trachten
te
beantwoorden
waarbij
ik
met
name
aandacht
besteed
aan
de
ontwikkelingen
in
de
manier
waarop
de
westerse
mens
het
landschap
en
de
natuur
heeft
gewaardeerd.
Voor
informatie
met
betrekking
tot
deze
ontwikkelingen
van
de
afgelopen
decennia,
ben
ik
voornamelijk
te
rade
gegaan
bij
inleidende
colleges
in
de
landschapsgeschiedenis
bij
de
Rijksuniversiteit
Groningen
en
bij
het
boek
Environmentalism
(2012),
dat
onderdeel
uitmaakt
van
 de
‘Seminar
Studies’
series,
omdat
ik

beide
als
betrouwbare
bronnen
beschouw.


 

In
Nederland
vinden
we
in
bijna
al
onze
steden
nog
sporen
uit
de
Late
Middeleeuwen.
Waar
er
in
de
twaalfde
eeuw
nog
maar
acht
plaatsen
een
omvang
hadden
waarmee
het
plattelandsleven
werd
gecontrasteerd,
was
het
percentage
stedelingen
in
1500
gestegen
tot
ruim
40
procent1.
He()t
is
dus
vanaf
de
Late
Middeleeuwen
dat
we
kunnen
spreken
over
de
stedeling
met
een
bepaalde
houding
ten
opzichte
van
het
landschap
en
de
natuur.



Het
Middeleeuwse
denken
werd
gedomineerd
door
het
Christendom
en
evenals
de
Grieken
en
de
Romeinen,
zagen
de
middeleeuwse
Christenen
natuur
als
iets
dat
zich
beschikbaar
stelde
en
bruikbaar
maakte
ten
behoeve
van
de
mens.
Hierdoor
beschouwde
men
het
ontginnen
van
de
wildernis
als
een
menselijke
plicht,
als
een
opdracht
van
God
en
waardering
voor
de
natuur
uitte
zich
in
eerste
instantie
dus
ook
in
de
geordende
velden.
De
omsloten
en
gecultiveerde
landschappen
stonden
tegenover
de
niet‐christelijke
chaos
en
wildernis
van
de
moerassen,
wouden
en
bergen.
Deze
manipulatieve
houding
ten
opzichte
van
de
natuur
ontwikkelt
zich
verder
en
mede
door
de
ontdekkingsreizen
in
de
vijftiende
eeuw
en
dankzij
ontwikkelingen
in
de
wetenschap,
wordt
het
vertrouwen
in
de
macht
en
mogelijkheden
van
de
mens
versterkt.
Ten
tijde
van
de
Verlichting
bereikte
deze
houding
misschien
wel
haar
hoogtepunt,
doordat
de
natuur
als
een
verzameling
van
mechanische
processen
 werd
beschouwd
die
de
mens
kon
(en
moest)
ontcijferen
en
naar
eigen
hand
 zetten.
Langzamerhand
domineert
niet
langer
religie,
maar
kapitalisme
de
menselijke
houding
jegens
het
landschap;
landbouw
is
niet
meer
enkel
bestemd
voor
de
lokale
bevolking,
maar
men
produceert
voor
een
ver
weg
gelegen
markt.
Aan
het
einde
van
de
achttiende
eeuw
echter,
zien
steeds
meer
landen
dat
er
houttekorten
beginnen
te
ontstaan
en
sindsdien
wordt
duurzaamheid
voor
het
eerst
opgenomen
in
het
beleid2.
De
technologische
ontwikkelingen
doen
mensen
tevens
inzien
dat
de
omgeving
te
lijden
heeft
onder
de
mechanisering
en
als
reactie
op
de
Verlichting
ontstaat
er
ruimte
voor
de
opkomst
van
de
Romantiek.



De
welgestelde
achttiende‐eeuwse
verzamelaars
die
zich
druk
bezig
hielden
met
het
ontdekken,
beschrijven
en
categoriseren
van
planten‐
en
diersoorten,
keken
natuurlijk
ook
terug
naar
de
tijd
waarin
de
natuur
nog
puur
 het
werk
van
God
was.

De
romantische
beleving
van
de
natuur
was
dan
ook
veelal
een
individualistische
spirituele
zoektocht,
waarbij
men
inging
tegen
de
ratio
en
de
emotionele
beleving
voorop
werd
gezet.
In
de
ontwikkeling
van
landschapstuinen
wordt
mooi
zichtbaar
hoe
de
ambivalente
houding
van
de
elite
zich
ontwikkelde:
In
de
zeventiende
eeuw
kochten
de
rijkste
Hollandse
stedelingen
landgoederen
die
ze
uitgebreid
beplantten
met
exotische
flora,
niet
alleen
om
het
oog
te
strelen,
maar
ook
om
aan
te
tonen
hoe
mankracht
natuur
plezierig
en
ordelijk
kon
maken.
Maar
in
de
achttiende
eeuw
ontstaat
er
juist
een
 waardering
voor
wat
we
de
‘Engelse
landschapstuin’
noemen:
gebieden
die
vaak
groter
zijn
dan
de
geometrisch
aangelegde
landgoederen,
veel
minder
geordend
 en
een
meer
‘natuurlijke’
aanblik
bieden.
Westerse
kunstenaars
en
intellectuelen
 omarmden
de
natuur
en
vonden
er
inspiratie.
Jean‐Jacques
Rousseau
mag
 bijvoorbeeld
niet
ongenoemd
blijven
bij
het
beschrijven
van
deze
ontwikkelingen,
wiens
geschriften
bijdroegen
aan
het
groeiende
individualisme
dat
zich
ontpopte
in
de
liefde
voor
natuur.
Of
de
dichter
William
Wordsworth
die
in
de
natuur
een
weerspiegeling
van
de
menselijke
geest
zag,
en
vice
versa.
Je
zou
kunnen
zeggen
dat
het
landschap
vanaf
die
tijd
als
het
ware
twee
ideaalbeelden
krijgt:
het
gecultiveerde
pastorale
en
het
wilde
primitieve.
Of
zoals
 David
Peterson
del
Mar
het
omschrijft:


“Picturesque
depiction
of
nature
invited
people
to
feel
good
about
nature.
The
sublime,
like
other
elements
of
Romanticism,
simply
required
 them
to
feel
–
and
strongly.”3




























































2
In
Duitsland
ontdekte
men
de
eerste
tekorten
al
rond
1600
wat
leidde
tot
veel
artikelen
en
boeken
rond
het
probleem,
maar
pas
vanaf
het
einde
van
de
18e
eeuw,
wordt
er
ook
daadwerkelijk
actie
ondernomen.
David
Peterson
del
Mar,
 Environmentalism,
‘the
birth
of
conservation’
p.
8
 3
David
Peterson
del
Mar,
Environmentalism,
p.
12


 

Beide
vormen
dienen
echter
hetzelfde
doel,
namelijk
het
bieden
van
een
ontsnapping
waardoor
de
ware
emoties
toegankelijk
worden
voor
de
geest.
Nu
 de
steden
steeds
meer
geïndustrialiseerd
raakten
en
een
bron
werden
voor
ziekten,
werden
de
verhoudingen
tussen
stad
en
natuur
verwisseld.
De
eerder
bedreigend
aandoende
bergen
werden
een
toevluchtsoord
en
samen
met
de
 verspreiding
van
de
ideeën
van
de
romantische
intellectuelen,
is
in
feite
het
natuur
toerisme
geboren,
maar
daar
zal
ik
later
nog
op
terug
komen.



Natuurbeleving
was
ook
verbonden
aan
nationalisme.
Ten
tijde
van
de
Hollandse
opstand
tegen
de
Spaanse
koning
dienden
de
landschapsschilderijen
als
een
soort
protest
en
propaganda,
als
herinnering
aan
het
eigen
land
waar
men
trots
op
was
en
voor
vocht.
In
Duitsland
werden
later
de
wouden
een
 onmiskenbaar
symbool
voor
de
Nazi’s,
die
overigens
ook
de
sterkste
 dierenbeschermingswet
van
de
wereld
invoerde
ten
aanzien
van
wilde
dieren
(met
name
de
wolf)
en
ze
creëerden
honderden
natuurreservaten.
Liefde
voor
de
natuur
was
vrijwel
nooit
in
strijd
met
industrialisatie
en
groeiend
materialisme4,
maar
eerder
gingen
zij,
zoals
dat
meestal
het
geval
is,
hand
in
hand.
De
opkomst
van
natuurbeschermers,
die
het
alsmaar
naar
vooruitgang
strevende
handelen
bekritiseerde,
lag
aan
de
vooravond
van
de
Tweede
Wereld
Oorlog
nog
jaren
verwijderd.
Na
de
oorlog
had
men
in
Europa
een
wanhopige
behoefte
aan
 economische
vooruitgang
en
een

verminderde
aandacht
voor
de
natuur.
In
de
Verenigde
Staten
groeide
vanaf
die
tijd
de
natuurwaardering
dus
ook
een
stuk
sneller,
mede
doordat
steeds
meer
mensen
een
auto
konden
kopen
en
vaker
een
rondrit
konden
maken
om
de
omgeving
te
bezichtigen
en
te
leren
kennen.
Hiermee
ontstond
tevens
een
groeiende
behoefte
aan
parkeer‐
en
 kampeerplaatsen,
caravans,
picknicktafels

en
andere
benodigdheden
om
het
zo
 comfortabel
mogelijk
te
hebben
wanneer
men
er
even
tussenuit
ging
om
dichter
bij
de
natuur
te
zijn.
Doordat
het
voor
steeds
meer
mensen
mogelijk
werd
om
 ‘van
het
landschap
te
genieten’,
konden
verschillende
benaderingen
van
de
natuur
zich
makkelijker
ontwikkelen
en
werden
representaties
van
het
landschap
meer
gekleurd.
Men
kreeg
meer
aandacht
voor
ecologie
en
de
menselijke
interventie
in
ecosystemen
werd
voor
het
eerst
bekritiseerd.
Toch
 was
het
pas
in
de
jaren
’60
dat
de
spanning
tussen
vooruitgang
en
natuur
veel
aandacht
begon
te
krijgen,
wat
tot
weer
nieuwe
en
meer
verscheidene
benaderingen
van
landschap
en
de
natuur
leidde.
De
stabiliteit
die
de
natuur
in
de
ogen
van
de
Verlichtingswetenschapper
nog
leek
te
hebben,
was
volledig
omgeslagen
in
een
nieuw
besef
van
de
zeer
complexe
relaties
en
onvoorspelbaarheid
van
de
natuur.
Een
eenduidige
visie
ten
opzichte
van
deze
natuur
werd
een
waanbeeld
uit
het
verleden.



In
1957
had
4
procent
van
de
Nederlandse
huishoudens
een
televisie
en
 er
waren
ongeveer
een
half
miljoen
auto’s
in
het
land.
Tien
jaar
later
had
82
op




























































4
Een
uitzondering
hierop
kwam
naar
voren
in
het
boek
Walden
(1845)
van
Henry
David
Thoreau,
waarin
hij
pleitte
voor
een
andere
manier
van
leven
waarin
de
natuur
niet
enkel
een
tijdelijk
toevluchtsoord
vorm,
maar
hij
zou
pas
veel
later
door
een
groter
publiek
gewaardeerd
worden.


 

de
100
gezinnen
een
tv‐toestel
in
huis
en
was
het
aantal
auto’s
vervijfvoudigd5.
 Met
andere
woorden,
de
jaren
’60
brachten
een
niet
eerder
gekende
rijkdom
en
vooruitgang.
En
men
nam,
zoals
dat
al
vaker
gebeurde,
de
rijkdom
snel
voor
lief
en
stortte
zicht
op
een
zoektocht
naar
diepere
betekenissen.
Een
leven
dichter
bij
de
natuur,
staat
voor
eenvoud
en
contemplatie.
Dit
romantische
gedachtegoed
blijft
onlosmakelijk
verbonden
met
bijna
iedere
visie
op
de
natuur.
Maar
de
natuurliefhebber
in
de
vorm
van
een
trotse
elite
uit
de
vorige
eeuw
die
de
belangen
van
de
natuur
wilde
behartigen,
verandert
in
de
jaren
zestig
in
een
‘onderdrukte
groep
die
zich
moet
verzetten
tegen
het
gehele
maatschappelijke
 en
kapitalistische
systeem’.6
De
nieuwe
liefde
die
men
koesterde
voor
de
natuur
vond
uitdrukking
in
de
groeiende
vrijetijdsactiviteiten
zoals
surfen,
waarbij
het
surfen
zelf
als
een
vorm
van
protest
werd
gezien7.
En
hoewel
alle
buitensportactiviteiten
een
affiniteit
met
de
natuur
in
zich
dragen,
vragen
ze
ook
om
steeds
nieuwere
materialen
en
kleding
waarmee
men
de
levensstijl
uitdraagt.
En
zo
blijkt
ook
dan
weer
dat
de
mens
niet
meer
om
de
markt
heen
kan,
doordat
deze
reageert
op
de
manier
waarop
natuur,
individualisme
en
avontuur
steeds
verder
met
elkaar
verwikkeld
raakten.
Natuurbeleving
staat
nu
niet
meer
alleen
voor
rust
en
contemplatie,
maar
wordt
steeds
sterker
een
symbool
voor
 individuele
vrijheid.


“Then
a
strange
blight
crept
over
the
area
and
everything
began
to
change.
Some
evil
spell
had
settled
on
the
community:
mysterious
maladies
swept
the
flocks
of
chickens;
the
cattle
and
sheep
sickened
and
died.
 Everywhere
was
a
shadow
of
death”8


Aan
het
eind
van
de
jaren
zestig
wordt
de
vrolijkheid
gecontrasteerd
door
de
verschillende
vormen
van
natuurbescherming
die
verschijnen
in
de
vorm
van
actieve
organisaties
die
veel
leden
kennen.
Eerst
alleen
in
de
Verenigde
Staten,
maar
al
snel
ook
in
Europa,
waar
het
activisme
echter
in
eerste
instantie
meer
van
bovenaf
kwam
en
niet
zo
sterk
vanuit
de
arbeiders
in
de
vervuilde
steden
zelf.
Er
verschenen
vele
boeken
die
het
bewustzijn
van
de
schade
aan
de
natuur
vergrootten,
waarmee
de
aandacht
en
liefde
voor
natuur
weer
een
nieuwe
weg
in
was
geslagen9.
In
de
landschapswetenschappen
was
na
de
oorlog
de
morfogenetische
benadering
opgekomen,
wat
in
hield
dat
elke
periode
zijn
eigen
specifieke
ruimtelijke
patronen
en
vormentaal
kent.
Na
1950
wordt
de
benadering
steeds
dynamischer,
onder
invloed
van
de
Engelse
W.G.
Hoskins.
En


 



























































5
W8:
Vergeten
Verleden,
‘Na
1960:
het
tijdperk
van
de
televisie
en
de
auto’.
 http://www.w8.nl/tv.htm
6
S.
Chaney
(2008)
Nature
of
the
Miracle
Years
p.245

7
Peterson
del
Mar,
p,
45.
 8
fragment
uit
Silent
Spring
(1962),
geschreven
door
de
bioloog
Rachel
Carson,
die
hiermee
een
van
de
meest
invloedrijke
milieuactiviste
werd.
Bron:
http://core.ecu.edu/soci/juskaa/SOCI3222/carson.html
9
The
Quiet
Crisis
van
Stewart
Udall
verscheen
rond
dezelfde
tijd
als
Silent
Spring,
een
ander
voorbeeld
komt
van
de
Club
van
Rome,
die
in
1972
De
Grenzen
aan
de
 Groei
publiceerde.


in
de
jaren
’60
en
‘70
doet
vervolgens
de
‘New
Geography’
haar
intrede.
Binnen
de
politiek
deden
zich
ook
aandachtsverschuivingen
voor,
al
bleef
men
vrij
optimistisch
met
betrekking
tot
milieuvervuiling.
De
overheid
richtte
zich
voornamelijk
op
gezonde
lucht
en
schoon
water
en
ook
in
de
andere
landen
was
het
overheersende
sentiment
positief,
gericht
op
aanpassing;
radicale
veranderingen
kwamen
niet
ter
sprake.
Maar
waar
men
zich
eerder
nog
zorgen
maakte
over
afval
op
de
weg,
wordt
tien
jaar
later
de
weg
zelf
als
het
grote
probleem
gezien
en
verschillende
doemgedachtes
worden
door
radicale
milieuactivisten
verspreid.
De
nationale
parken
en
natuurreservaten
waren
toeristische
trekpleisters
geworden,
waar
de
problemen
alleen
maar
versterkt
worden
door
bijvoorbeeld
de
aanleg
van
vakantieparken
en
nieuwe
wegen
naar,
en
door
de
gebieden.
De
Amerikaan
Edward
Abbey
pleitte
ervoor
dat
parken
een
zelfde
behandeling
kregen
als
bijvoorbeeld
kerken,
musea
‘and
the
other
 sanctums
of
our
culture’10
en
voortbouwend
op
dit
gedachtegoed,
ontstond
de
diepe
ecologie,
onder
de
pen
van
de
Noorse
filosoof
Arne
Naess11.
Naess
argumenteerde
dat
de
mens
niet
los
staat
van
de
rest
van
de
wereld
en
in
het
 begrip
van
het
‘zelf’
zou
men
de
rest
van
de
wereld
mee
moeten
nemen.
Door
op
deze
manier
te
denken
kon
men
ontsnappen
aan
het
individualisme
en
de
vermeerdering,
aan
de
exploitatie
van
anderen
mensen
en
van
de
aarde.
Een
andere
radicale
beweging
was
het
ecofeminisme,
waarin
misbruik
van
vrouwen
en
van
de
natuur
met
elkaar
werden
vergeleken
als
gevolg
van
de
mannelijke
angst
en
overheersingdrift.
Alle
ecologische
problemen,
zo
werd
verkondigd,
zijn
voortgekomen
uit
diepgelegen
sociale
problemen,
wat
het
tevens
onmogelijk
maakt
om
ecologische
problemen
te
begrijpen,
laat
staan
op
te
lossen,
zonder
naar
de
problemen
in
de
maatschappij
te
kijken12.
Vanuit
deze
gedachte
ontstaat
dan
ook
het
besef
de
meeste
mensen
die
lid
zijn
van
milieubewegingen,
blank
zijn
en
in
veel
gevallen
ook
hoog
opgeleid.
Mede
hierdoor
was
er
dus
 waarschijnlijk
eerder
aandacht
voor
ideeën
over
een
‘andere
manier
van
leven’,
dan
dat
er
naar
concrete
problemen,
zoals
de
gevolgen
van
gifstoflozing,
werd
 gekeken,
wat
voornamelijk
in
de
armere
regio’s
gebeurde.
De
actieve
 organisaties
(voornamelijk
bestaand
uit
niet‐blanke,
minder
welgestelde
mensen)
die
deze
problemen
wel
aan
wilden
pakken,
vochten
er
voor
om
hun
omgeving
schoon
te
houden,
richtten
hun
acties
op
de
mens
en
kaartte
maatschappelijke
problemen
aan.
In
feite
hadden
ze
maar
weinig
van
doen
met
de
meer
traditionele
milieuactivisten.
Hiermee
is
ook
de
tweedeling
neergezet
tussen
hen
die
de
menselijke
gezondheid
en
overleving
op
de
eerste
plaats
zetten
en
de
groepen
die
de
mens
juist
naar
de
achtergrond
wil
brengen
en
meer
ruimte
 willen
geven
aan
dieren
en
planten.


Ondanks
al
deze
verschillende
bewegingen,
zijn
de
westerse
tradities
niet
bijzonder
veel
verstoord.
De
meesten
mensen
zien
geen
tegenstelling
in
groei
en
aandacht
voor
de
natuur.
De
Grand
Canyon
trekt
bijna
vijf
miljoen
bezoekers
per




























































10
Peterson
del
Mar,
p,
62.
 11
Arne
Naess
benoemde
Rachel
Carson
als
rolmodel
toen
hij
de
visie
van
de
 ‘Deep
Ecology’
ontwikkelde.
http://en.wikipedia.org/wiki/Arne_N%C3%A6ss
 12
Peterson
del
Mar,
p.
65.


 

jaar13
en
het
reizen
naar
ver
afgelegen
gebieden
worden
aangeprezen
in
de
vorm
 van
grote
auto’s,
full‐colour
reclame
posters
en
goedkope
vliegtickets
naar
all‐ inclusive
resorts
waar
men
aan
georganiseerde
excursies
deel
kan
nemen
om
zo
de
opwinding
te
kunnen
ervaren
van
het
contrast
tussen
de
beschaving
en
het
leven
in
de
natuur.
Er
bestaat
dus
een
eeuwenoude
relatie
tussen
rijkdom
en
 ‘liefde
voor
natuur’.
We
waarderen
de
natuur
niet
zozeer
omdat
het
ons
in
voedsel,
beschutting,
brandstof
of
bouwmateriaal
kan
voorzien,
maar
omdat
het
betekenis
kan
bieden.
In
de
westerse
wereld
is
men
steeds
verder
verwijderd
geraakt
van
de
manier
waarop
bodem,
water,
dieren
en
planten
belangrijk
zijn
voor
ons
lichaam
en
is
het
idee
dat
deze
dingen
onze
ziel
voeden,
ons
naar
een
pure
plek
kunnen
brengen
voorbij
het
oppervlakkige
dagelijkse
leven,
steeds
 prominenter
geworden.
De
nadruk
op
‘behoud’
en
‘herstel’
in
het
 landschapsbeleid
is
hieraan
gerelateerd
en
in
het
vervolg
van
dit
essay
zal
ik
aan
proberen
te
tonen
welke
tegengestelde
belangen
een
rol
spelen
in
het
 hedendaagse
Nederlandse
landschap.


In
Nederland
is
men
actief
bezig
met
het
maken
van
natuur.
Nadat
we
de
grond
volledig
gecultiveerd
hebben,
is
er
blijkbaar
weer
behoefte
om
het
productieland
om
te
zetten
in
natuur
wat
begrijpelijker
wordt
met
de
ontwikkelingen
die
zich
over
de
gehele
westerse
wereld
voltrokken
hebben,
in
het
achterhoofd.
In
1990
ontstond
in
Nederland
het
plan
om
een
Ecologische
 Hoofdstructuur
aan
te
brengen,
waarbij
in
één
vijfde
deel
van
het
land
 natuurwaarden
de
hoofdrol
moeten
gaan
spelen.14
Nu
zijn
de
plannen
door
het
nieuwe
kabinet
ingekrompen,
maar
de
natuuraanleg
is
nog
op
veel
plaatsen
actief
aanwezig.
Wat
het
landschapsbeleid
in
Nederland
precies
inhoudt
blijkt
moeilijk
te
zeggen
aangezien
de
regels
ieder
jaar
lijken
te
veranderen.
Ineke
Noordhoff
verwoord
dit
mooi
in
haar
boek
Natuurmakers:
Heroverd
Landschap
van
Rottum
tot
Grensmaas
wanneer
zij
beschrijft
hoe
de
overheid
natuurherstel
dan
weer
stimuleert
en
wil
versnellen
en
het
vervolgens
weer
stop
wil
zetten15.
Hoewel
Noordhoff
vertegenwoordigers
van
verschillende
belangengroepen
aan
het
woord
laat,
lijkt
haar
boek
toch
lijnrecht
tegenover
het
in
de
inleiding
genoemde
Beemden
en
Bouwlanden
te
staan,
waarin
niet
het
maken
van
natuur
voorop
staat,
maar
juist
het
behouden
van
het
(kleinschalige)
cultuurlandschap.
De
schrijver
haalt
uitspraken
aan
van
de
landschapsdeskundige
Rik
Herngreen,
die
de
mythe
van
het
traditionele
boerenleven
als
tegenhanger
van
het
moderne
leven
in
de
stad,
als
een
fundamenteel
gebrek
aan
inzicht
ziet
in
de
historische
en
actuele
realiteit
van
stad
en
platteland.
Hij
vreest
voor
wat
hij
‘esthetisch
essentialisme’
noemt:
een
toestand
waarin
alle
banden
met
de
realiteit
zijn
 verbroken
en
alleen
nog
een
‘esthetisch
decor’
overblijft.
Dit
is
precies
hetgeen
 dat
Noordhoff
juist
lijkt
te
verdedigen
omdat
natuur
‘mooi
is,
stedelingen




























































13
‘When
and
why
did
the
Grand
Canyon
become
a
national
park?’
 http://www.nps.gov/grca/faqs.htm
14
Ineke
Noordhof:
Natuurmakesr:
Heroverd
Landschap
van
Rottum
tot
 Grensmaas
(2011),
p.7
15
Zie
voor
verdere
uitleg
I.
Noordhoof,
Hoofdstuk
26
p.186
–
200.


 

stimuleert
om
te
bewegen,
kinderen
uitdaagt
om
te
spelen
–
en
echt
veel
 gezonder
is
voor
lichaam
en
geest.’16


Dat
het
authentieke
land
lijkt
te
verdwijnen
achter
namaak
land
‘dat
in
stand
wordt
gehouden
door
folders
met
eendimensionale,
simplistische
en
in
 belangrijke
mate
onjuiste
historische
informatie’17
is
een
vaker
gehoord
geluid
met
betrekking
tot
het
landschapsbeleid.
Onderzoeker
Maarten
Jacobs
wijdt
deze
 ontwikkelingen
aan
de
‘experience
society’
waarin
wij
leven,
en
verduidelijkt
 vervolgens
de
sociale
invloed
op
de
totstandkoming

van
concepten,
beelden
en
 verwachtingen
van
mensen.
Hij
haalt
teksten
aan
van
onder
andere
Wolfe,
(The
Entertainment
Economy)
en
van
Jensen,
die
het
boek
The
Dream
Society
schreef,
waarin
wordt
verklaard
dat
we
degenen
die
verhalen
kunnen
vertellen
in
de
 droom‐samenleving,
het
meest
waarderen:
‘Business
firms
have
reached
a
new
 frontier
–
that
of
imagination,
emotions
and
dreams’18.
De
eerder
genoemde
Herngreen
bekritiseerd
echter
het
verlangen
van
mensen
om
in
droomwerelden
te
willen
leven
omdat
dit
volgens
hem
niet
tot
het
echte
leven
behoort.
Het
landschap
mag
in
zijn
ogen
geen
illusie
of
misleidend
plaatje
worden,
maar
moet
 uitdrukking
geven
aan
wat
hij
‘de
levende
cultuur’
noemt.
Vanuit
het
Ruimtelijk
Planbureau
kwamen
soortgelijke
uitspraken
nadat
zij
hadden
geconstateerd
dat
het
traditionele
boerenland
in
snel
tempo
verdwijnt.
‘De
stedeling
ziet
de
ontwikkeling
met
lede
ogen
aan
en
lijkt
niet
van
zins
zijn
ideaalbeeld
van
het
 idyllische
platteland
op
te
geven’19.
Dit
zou
evengoed
gezegd
kunnen
worden
over
de
droombeelden
die
men
heeft
met
betrekking
tot
de
natuur,
maar
in
Nederland
blijkt
de
aanleg
van
de
nieuwe
natuur
niet
rijmen
met
droombeelden.
Dit
komt
misschien
deels
doordat
de
nadruk
wordt
gelegd
op
ecologie
waarin
het
toch
vaak
gaat
over
relaties
en
metingen
met
betrekking
tot
de
natuur,
waar
 de
mens
(gezien
de
lange
geschiedenis
van
landschapswaardering
waarin
de
mens
centraal
staat)
zich
niet
direct
toe
kan
verhouden.
Bovendien
signaleerde
rijksambtenaren
in
2009
dat
de
meeste
burgers
‘weinig
gevoel’
hebben
‘bij
termen
als
biodiversiteit
en
Ecologische
Hoofdstructuur20.
Het
planbureau
vroeg
zich
dus
af
of
ideaal
beelden
nog
steeds
als
wensbeelden
moeten
gelden
en
ze
 vonden
dat
‘de
moderne
recreanten
meer
werkelijkheidszin
zouden
moeten
hebben’.
Kortom,
ze
maken
zich
niet
zozeer
zorgen
over
de
verdwijning
van
het
historische
cultuurlandschap,
maar
om
het
schijnbaar
onjuiste
beeld
dat
de
stedeling
heeft
van
het
landschap.
Ook
landschapsarchitect
Eric
Luiten
verzet
zich
tegen
het
bewaren
van
de
oude
cultuurlandschappen,
zo
geeft
Denslagen
aan,
voortbouwend
op
het
idee
dat
oppervlakkige
verwijzingen
naar
het
verleden
onkritisch
zijn.
Enerzijds
lijkt
het
mij,
net
als
Denslagen,
niet
vreemd
om
zo
nu
en
dan
wat
te
willen
bewaren
in
een
wereld
die
zo
snel
verandert,
al
is
het
maar
om
een
zichtbare
herinnering
te
hebben
aan
de
vele
ontwikkelingen
die
mens
en
land
hebben
doorgemaakt.
Anderzijds
lijkt
het
conserveren
op
een
hersenschim
te
berusten,
aangezien
de
huidige
staat
een
product
is
van
de
tijd
en
 een
momentopname

vormt
in
een
proces
van
voortdurende
verandering.
En




























































16
I.
Noordhoff,
p.
189.

17
W.
Denslagen,
p.11
 18
Maarten
Jacobs,
The
Production
of
Mindscapes
(2006)
p.
20‐21
 19
W.
Denslagen,
p.
19‐20.

20
I.
Noordhoff,
p,187.


 

hoewel
er
natuurlijk
zeer
veel
te
zeggen
valt
voor
het
maken
van
natuur
met
het
oog
op
de
biodiversiteit
en
ik
in
eerste
instantie
ook
hard
‘ja’
wil
roepen
tegen
 ontwikkeling
van
‘nieuwe
natuur’
kan
deze
ontwikkeling
ook
een
bedreiging
vormen
voor
de
zogenaamde
leesbaarheid
van
het
landschap.
Deze
zou
grotendeels
uitgewist
kunnen
worden,
terwijl
juist
de
samenhang
die
een
landschap
door
middel
van
die
leesbaarheid
bevat,
maakt
dat
er
een
oriëntatie
in
tijd
en
ruimte
mogelijk
is,
die
weer
verbonden
is
aan
de
menselijke
identiteit.


Uiteindelijk
lijkt
de
ware
problematiek
zich
te
bevinden
in
de
beeldvorming.
Een
historisch
geograaf
kijkt
anders
dan
een
ecoloog,
evenals
een
 boer
anders
kijkt
dan
een
stedeling.

We
kijken
door
de
ogen
van
hen
die
ons
hebben
leren
kijken
en
hiermee
berust
beeldvorming
deels
op
traditie.
Maar,
om
Jacobs
nogmaals
aan
te
halen,
hebben
sociale
tradities
in
de
tegenwoordige
belevingsmaatschappij
minder
invloed
op
het
leven
van
individuen
dan
 voorheen.
‘mensen
maken
hun
keuzen
meer
vanuit
hun
eigen
belevingswereld,
 en
zijn
op
zoek
naar
boeiende
ervaringen’21.
De
invloed
die
dit
heeft
op
de
 manier
waarop
we
naar
het
landschap
kijken
wordt
zichtbaar
in
de
manier
waarop
we
met
landschap
omgaan.
Mooie
landschappen
worden
beschermd,
en
worden
toeristische
toevluchtsoorden
voor
de
stedeling.

Het
idee
overigens,
dat
het
landschap
alleen
bestaat
in
de
voorstelling
van
de
individuele
waarnemer,
is
al
sinds
de
romantiek
aanwezig,
maar
binnen
de
landschapswetenschappen
heeft
de
benadering
voornamelijk
sinds
Denis
Cosgrove’s
boek
Social
formation
 and
symbolic
landscape
(1984)
een
belangrijke
plek
gekregen.
Cosgrove
werd
 een
van
de
grondleggers
voor
de
‘nieuwe
culturele
geografie’
toen
hij
aantoonde
 hoe
het
landschap
de
ideeën
weerspiegelt
van
de
mensen
die
het
gevormd
hebben
en
dat
het
als
het
ware
een
podium
biedt
voor
degenen
die
de
macht
in
handen
hebben.
Cosgrove
ziet
het
landschap
als
een
sociale
constructie
die
samenhangt
met
een
manier
van
kijken.
Hierbij
noemt
hij
ook
de
typische
 Europese
‘landscape
way
of
seeing’
die
bijvoorbeeld
terug
te
vinden
is
 standaardcomposities
van
vakantiefoto’s
en
haar
oorsprong
heeft
in
de
landschapsschilderkunst
van
de
16de
en
17de
eeuw.
Door
het
landschap
te
benaderen
als
een
platform
voor
representatie
is
het
landschapsonderzoek
steeds
meer
tot
de
sociale
wetenschappen
gaan
behoren
met
‘identiteit’,
 ‘beeldvorming’
en
‘representatie’
als
kernbegrippen.
Landschapshistoricus
Hans
Renes
benoemt
dit
tot
het
postmoderne
historische
landschap
(voorafgegaan
door
het
traditionele
historische
landschap,
dat
bestond
tot
in
de
jaren
’70
en
het
moderne
historische
landschap,
waarvan
gesproken
wordt
in
de
jaren
’70
tot
’90)22.
Beeldvorming
lijkt
echter
ook
een
collectief
fenomeen,
voortgekomen
en
beïnvloed
door
de
beelden
die
anderen
voor
hen
hebben
geproduceerd.
In
een
introductie
van
The
Iconography
of
Landscape
benadrukken
Stephen
Daniels
en
Denis
Cosgrove
nogmaals
dat
landschap
een
cultureel
beeld
is.
Wat
overigens
 niet
wil
zeggen
dat
het
immaterieel
is:
‘Het
kan
vertegenwoordigd
worden

in
 verschillende
materialen
op
verschillende
dragers
–
verf
op
doek,
tekst
op
papier,
in
aarde,
steen,
water
en
vegetatie
op
het
land’.23
En
hoewel
een
park
misschien
tastbaarder
lijkt
dan
een
landschapsschilderij
of
een
gedicht,
is
het




























































21
M.
Jacobs,
p.
261.
 22
Hans
Renes,
Het
Postmoderne
Historische
Landschap
(2005).
23
Cosgrove
en
Daniels,
The
Iconography
of
Landscape,
p.
1


 

niet
minder
echt
en
ook
niet
minder
denkbeeldig.
Vanwege
onze
gezamenlijke
geschiedenis
zijn
er
dus
enkele
algemeen
gedeelde
waarden,
maar
het
idee
dat
‘het
ware
landschap
zich
ontvouwt
in
het
oog
van
de
individuele
waarnemer’
lijkt
een
waarheid
te
zijn
waar
we
niet
omheen
kunnen.
Wanneer
de
grond
waar
mensen
samen
op
leven
besproken
wordt,
zullen
de
meningen
en
belangen
dus
ook
altijd
verdeeld
zijn.
Maar
met
een
beetje
inzicht
in
de
achtergrond,
en
met
begrip
voor
andere
partijen
wordt
het
misschien
mogelijk
om
droombeelden
en
 herstel
door
elkaar
heen
te
verweven.
Intuïtie,
als
de
perfecte
combinatie
van
 kennis
en
gevoel,
lijkt
mij
een
belangrijke
sleutel
hiervoor,
wat
dus
inhoud
dat
ratio
en
emotie
gelijkwaardig
gevoed
moeten
worden
en
evenveel
ruimte
 moeten
krijgen
in
iedere
meningsvorming.


1
S.
Barends
e.a.,
Het
Nederlandse
Landschap,
‘een
landschap
vol
steden’
p.
176‐ 177.


Literatuur


Barends,
S.
e.a.,
Het
Nederlandse
Landschap:
een
Historisch
Geografische
 

Benadering.
Uitgeverij
Matrijs,
Utrecht,
2010.


Carson,
Rachel,
Silent
Spring.
Harmondsworth,
Hamilton,
1971.
Cosgrove,
Denis,
Geography
and
Vision:
Seeing,
Imagining
and
Representing
the



World.
I.B.
Tauris,
Londen/New
York,
2008.
Cosgrove,
D.
en
Stephen
Daniels,
The
Iconography
of
Landscape.
Cambridge



University
Press,
Cambridge,
1988.
 Denslagen,
Wim,
Beemden
en
Bouwlanden:
Het
Verdwijnende
Boerenlandschap.


NAi
Uitgevers,
Rotterdam,
2011.
 Jacobs,
Maarten,
The
Production
of
Mindscapes:
a
comprehensive
theory
of



landscape
experience,
Dissertatie
Universiteit
Wageningen,

2006.
Noordhoff,
Ineke,
Natuurmakers:
Heroverd
Landschap
van
Rottum
tot
Grensmaas.




Uitgeverij
Atlas,
Amsterdam/Antwerpen,
2011.


Peterson
del
Mar,
David,
Environmentalism.
Pearson
Education
Limited,
Harlow,
 

2012.


Renes,
Hans,
‘Het
Postmoderne
Historische
Landschap:
ontwikkelingen
in
 

historisch
geografisch
onderzoek’,
Topos,
nummer
2,
2005.


Lotte Milene Bosman |www.lottemilenebosman.com | info@lottemilenebosman.com